Na een paar dagen buffelen door de bergen en het passeren van de grens Kyrgizie-China kom ik zaterdagavond 7 juni in Kashgar aan. Net op tijd voor de beroemde zondagsmarkt. Ik berg de fiets, tent, slaapzak en brander weer even op en neem mijn intrek in een tweepersoonskamer in een hotel. ’s Avonds zit ik in John’s Cafe aan een biertje samen met drie andere reizigers: Dany (Engelsman, 38), Peter (Belg, 44) en Marije (Nederlandse, 39). Ik blijf uiteindelijk langer dan ik had gedacht in Kashgar en breng een boeiende en gezellige week door met deze drie en andere backpackers. Als ik ’s avonds ga slapen, word ik voor de remslaap invalt nog net gewekt door geklop…een dame van plezier die haar diensten in het hotel aanbiedt, vraagt of ik een massage wil, of iets anders. Nogal verontwaardigd druipt ze weer af als ik beleefd weiger.
We kijken onze ogen uit op de zondagmarkt, waar je voor 100 euro een schaap koopt en je met een kameel wegloopt als je 500 euro achterlaat. Verder veel gereedschap, huis-, tuin- en keukenrotzooi, groente en fruit en wat al niet meer. Een kleurrijk, chaotisch spektakel waar je je eigenlijk nog steeds midden in Centraal-Azie waant. En niet geheel ten onrechte. In dit deel van China, Xinjiang, is een groot deel van de bevolking, maar niet meer het grootste, een Turkse etnische minderheid. De Uygur bevolking zijn een afsplitsing van de Turken, net als bijvoorbeeld de Uzbeken. Op straat in Kashgar vind je dan ook nog steeds kebab, laghman, traditionele hoeden, veel gesluierde vrouwen en de grootste moskee van China. Niet ver daar vandaan hebben de (Han-) Chinezen het grootste standbeeld van Mao Zedong in China geplaatst, als duidelijk teken wie hier de baas is. Beide bevolkingsgroepen zijn niet bijster van elkaar gecharmeerd. De zondag wordt verder ingevuld met rondstruinen naar een veilingproduct en de hitte wegdrinken met een biertje bij John’s.
De woestijn is een themapark, Desert Disneyland. Zoiets. Van de hoofdweg draai je onder een Chinese boog door en betaal je 30 Yuan (3 euro) om de zandbak te mogen zien. Hoe bizar kan het zijn? Maar we zijn met negen (!!) vrolijke backpackers en we werken onze weg naar het kunstmatige meer dat hier als een oase ligt in de woestijn. Omringd door terrasjes, jeep- en kamelenverhuur en ware sleetjes-downhill van een zandduin. Het is vooral bloedheet en persoonlijk word ik nogmaals bevestigd in mijn overtuiging dat ik de woestijn niet voor niks links heb laten liggen. Maar het is gezellig met een grote groep, dat maak je niet zo vaak mee.
Gelukkig zijn er dan nog altijd de bergen. Hoewel geheel uit de richting van Peking, lonkt de Karokaram Highway voor een korte tocht van twee dagen. In goed gezelschap van Dany, Peter en Marije huren we een taxi en vergapen we ons aan uitzichten op indrukwekkende bergen tot wel 7700 meter, bergmeren, vlaktes, rondlopende kamelen en yaks…een volgende tocht vormt zich al weer in mijn gedachten. We overnachten aan de rand van het Chinese rijk in Taskurgan (grenspost voor niemandsland tot Pakistan) en rijden woensdags weer terug naar Kashgar. John’s Cafe wacht op ons.
Inmiddels is het vrijdag, heb ik de stad nog iets verder bekeken en ook een ticket gekocht voor mijn langste busrit (21 uur, 1400 kilometer). Van Kashgar naar Turpan, waar ik zondag 15 juni bij de internationale groep fietsers, inclusief Mark, ga aansluiten. Dan wacht een stuk fietsen, Turpan-Dunhuang (~700 kilometer), wat in de vroege tijden van de Zijde Route bekend stond en gevreesd werd als het meest wrede en hardvochtige stuk van de hele route door Azie: weinig water, woestijn en de grootste hitte in heel China in de zomer. Een uitdaging:)
Maar eerst vanavond, in de hotelkamer, Nederland-Frankrijk: 2-1!















